Op 15 november 2024 vierde IFES Nederland haar 65ste jubileum met een jubileumviering. Tijdens deze viering hield Benno van den Toren de volgende lezing over '65 jaar christelijk getuigenis in de studentenwereld – hoe verder?' (foto: Niek Stam)

65 jaar ontzuiling

IFES-Nederland bestaat 65 jaar. De Nederlandse maatschappij en kerk hebben in die jaren sinds 1959 diepgaande veranderingen meegemaakt. Midden jaren ’60 ging in Nederland meer dan de helft van de Nederlanders wekelijks naar de kerk. Dit kunnen we ons nu nauwelijks meer voorstellen. Midden jaren ’80 was dat nog maar 17%. Tieners verlieten de kerk en hun ouders volgden. In 2022 bezoekt nog geen 7% wekelijks een kerk.

Dat de kerk in 1959 zo’n enorme plek innam in de samenleving hing samen met het typisch Nederlandse verschijnsel van de verzuiling. Katholieken, hervormden, gereformeerden en socialisten bevonden zich ieder in hun eigen zuilen met eigen scholen, kranten, politieke partijen, verenigingen en vakbonden. Die zorgden voor een grote sociale cohesie en waarschijnlijk ook voor een forse sociale druk. En ze zorgden voor een grote vanzelfsprekendheid van de relevantie en betekenis van geloven: deze kijk op de werkelijkheid was niet zomaar een persoonlijk perspectief, maar vanzelfsprekend. Het was de enige werkelijkheid die je je zou kunnen voorstellen. Dat die zuilen werden opengebroken heeft onder meer te maken met de opkomst van radio en vooral televisie. Het Nederlandse omroepstelsel weerspiegelde de verzuilde samenleving met de Katholieke Radio Omroep (KRO), de Nederlandse Christelijke Radio Vereniging (NCRV) en de Vereeniging van Arbeiders Radio Amateurs (VARA). Maar waar mensen alleen de krant van hun eigen zuil lazen, kwamen opeens alle televisiezenders binnen. Toen er opeens een veel opener kennismaking met andersdenkenden mogelijk was, bleek de eigen zuil toch veel minder vanzelfsprekend en stevig dan altijd was verondersteld en bleek de vrijheid van de jaren ’60 heel aantrekkelijk.

De verzuiling en de snelle afbrokkeling daarvan betekent dat de ervaring van secularisatie in Nederland anders is dan in andere landen in West-Europa. In de eerste plaats is de ervaring van secularisatie redelijk recent en ging het ook veel sneller dan in omringende landen. Het christelijk geloof voelt daarom nog sterker als passé, als iets wat niet meer past bij deze tijd. In de tweede plaats betekent het dat christenen in Nederland moeilijk woorden kunnen vinden om hun geloof op een overtuigende manier met buitenstaanders te delen. We hebben nauwelijks een traditie van mensen als G.K. Chesterton, C.S. Lewis en Dorothee Sayers die het Evangelie op een aantrekkelijke manier konden delen in een seculiere wereld. In het verzuilde Nederland richtten de kerkelijke denkers zich vrijwel uitsluitend op hun eigen zuil. In de derde plaats is de seculariteit in Nederland daarom ook een stuk seculierder en harder dan in omringende landen – wellicht met uitzondering van Frankrijk. Omdat de verschillende christelijke discoursen in Nederland zich vooral richtten op de eigen kring, werden seculiere maatschappelijke sectoren ook aan zichzelf overgelaten. Het zijn die seculiere kringen die de huidige dominante cultuur van Nederland hebben voortgebracht. Wat betekent het voor IFES-Nederland nu, na 65 jaar, om in deze ontzuilde context studenten te vormen en te bereiken met de boodschap van Jezus?

Gevangen in onze eigen subjectiviteit

Voordat ik die vraag probeer te beantwoorden, wil ik graag wijzen op een ander aspect van onze post-christelijke wereld waarin Nederland juist veel deelt met vergelijkbare ontwikkelingen in de bredere Noord-Atlantische wereld. In zijn boek The Secular Age heeft de Canadese filosoof Charles Taylor verschillende aspecten van het secularisatieproces onderscheidden. Ik wil hier aandacht vragen voor één aspect dat zo radicaal en omvattend is, dat we ons er juist daarom vaak nauwelijks bewust van zijn hoe diep dit ons verstaan van onszelf en van de wereld bepaalt. Taylor noemt dit het ontstaan van het ‘buffered self’, van het eigen ik dat op afstand staat van de wereld.?Charles Taylor, A Secular Age (Cambridge, MA: Belknap Press of Harvard University Press, 2007), 37-41. Andere filosofen spreken ook wel van de ‘subject-object’ scheiding. Mijn ‘ik’ neemt vanuit de binnenwereld de wereld om mijzelf heen waar. Het neemt alleen waar wat die ‘binnenwereld van het ik’ binnenkomt. Het kan en moet daarom zelf steeds autonoom beslissen hoe het datgene wat die binnenwereld binnenkomt interpreteert, wat het uiteindelijk wil en kan geloven, en wat dat voor het ‘ik’ betekent.

Dat betekent dat geloven in een ontzuilde wereld niet alleen gebeurt in een andere context. Het ‘ik’ dat gelooft – jouw ik en mijn ik – is een ander ik geworden en staat in een heel andere relatie tot de werkelijkheid. Je leeft niet meer in een wereld die jou en jouw gemeenschap heeft gemaakt tot wie je bent, die jouw identiteit bepaalt. Jij bent niet wie je bent omdat God je geschapen heeft en in een christelijke gemeenschap geboren heeft laten worden. Je bent wie je bent omdat jijzelf hebt gekozen om het geloof van de gemeenschap waarin je bent opgegroeid te accepteren of af te wijzen of op je eigen manier vorm te geven. Jouw geloof is jouw geloof. Jij hebt je dat geloof eigen gemaakt of je worstelt nog steeds met de vraag of je je het eigen kunt maken. Het is alleen maar jouw geloof voor zover jij dat kunt.

Daarmee is je identiteit in de terminologie van de socioloog Zygmunt Bauman ook fluïde of vloeibaar geworden. ?Zygmunt Bauman, Liquid Modernity (Cambridge, UK; Malden, MA: Polity Press ; Blackwell, 2000); Zygmunt Bauman, The Individualized Society (Cambridge: Polity Press, 2001).Uiteindelijk moet jij zelf je identiteit creëren uit alles wat in deze wereld op je afkomt. Het is een samengestelde identiteit die je bij elkaar knutselt uit allerlei waardeloos materiaal. Want jij bent degene die er waarde aan moet geven. Dat moet je ook nog eens steeds weer opnieuw doen, omdat de wereld om je heen en jijzelf blijven veranderen.

In de moderne tijd is alle geloof daarom in de eerste plaats een subjectieve werkelijkheid, iets wat in het subject plaatsvindt. En in een post-verzuilde, en zeker in een postmoderne, wereld zijn we er bewust van geworden dat heel veel mensen dat geloof niet delen. Wij geloven omdat we in een bepaalde context zijn geboren en omdat we ons dat geloof eigen hebben kunnen maken. Daarmee is ook ongeloof voor ieder van ons een reële mogelijkheid. Voor mij in ieder geval wel. Niet geloven– of preciezer, niet in de God van Jezus Christus geloven – ervaar ik zelf meestal als een gemakkelijkere optie. Geloven is nooit vanzelfsprekend.

In deze wereld is het daarom heel gemakkelijk om religieus geloof en christelijk geloof subjectief en daarom privé te maken. Maar natuurlijk moeten we zeggen dat alle geloof subjectief is, andere geloven zoals atheïsme, agnosticisme of apatheïsme en onverschilligheid evenzeer als christelijk geloof. Omdat die andere manieren van geloven evenzeer het publieke domein bepalen, mogen we evenzeer publieke betekenis claimen voor het christelijk geloof – of onze manier van christelijk geloven. Maar dan is het nog steeds onze subjectieve voorstelling die we delen. ‘Dit is mijn interpretatie van de werkelijkheid. Dit is hoe ik betekenis geef aan het leven.’ Ik herken dit veel in studenten die ik ontmoet. Als ze vrienden beter leren kennen, wordt het mogelijk om iets van het persoonlijk geloof te delen. Maar er is een heel grote aarzeling om te delen dat dat ook voor die ander van belang is. Het is tenslotte jouw interpretatie, jouw ervaring. En dat die ander daar niet zoveel mee kan, snappen we heel goed. En waarschijnlijk hoeft die ander daar ook niets mee.

Het is wat mij betreft heel mooi als we ons geloof durven delen in een seculiere wereld, als we durven te staan voor een heel andere visie op de werkelijkheid. Maar het delen van geloof als enkel ‘mijn eigen verhaal’ staat denk ik nog steeds ver af van de ervaring van de werkelijkheid die we in het Nieuwe Testament tegenkomen. Wat kunnen wij, met onze buffered selves in een ontzuilde wereld, leren van het Nieuwtestamentische geloof? En wat betekent dat voor de roeping van IFES-Nederland?

Eén God, de Vader, en één Heer, Jezus Christus

Laat ik Paulus citeren: “Ook al zijn er zogenaamde goden in de hemel of op aarde – en zo zijn er immers heel wat goden en heren –, wij weten: er is één God, de Vader, uit wie alles is ontstaan en voor wie wij zijn bestemd, en één Heer, Jezus Christus, door wie alles bestaat en door wie wij leven.” (1 Korintiërs 8:5, 6, NBV21) Dit is het vertrouwen waaruit hij leeft. Dat is niet de vanzelfsprekendheid van de zuil waarin hij leefde. Zijn joodse geloof zal in de diaspora niet vanzelfsprekend zijn geweest.

De eerste generaties volgelingen van Jezus zouden verbaasd geweest zijn als ze zouden ontdekken dat wij het zo moeilijk vinden in de uniciteit en beslissende betekenis van Jezus te geloven, omdat we in een godsdienstig pluralistische wereld leven. Zij leefden ook in een wereld waarin allerlei groepen hun eigen godsdienstige gebruiken hadden. Vooral de rijken en meer ontwikkelden konden hun eigen religieuze mix samenstellen vanuit de godsdienst van hun regio, een god die bij hun beroep paste en een mysteriereligie naar keuze. Ze konden natuurlijk niet tornen aan de hoogste autoriteit van het goddelijk gelegitimeerde keizerrijk, maar daarbinnen hadden ze ruimte om hun eigen tradities te volgen en eigen keuzes te maken. ?Zie bijvoorbeeld James S. Jeffers, The Greco-Roman World of the New Testament Era: Exploring the Background of Early Christianity (Downers Grove, IL: InterVarsity Press, 1999).

Maar juist in die wereld veranderde het perspectief van deze nieuwe gelovigen op een beslissende manier als ze Jezus als Heer leren kennen. In Hem ontmoeten ze de God van hemel en aarde, die dus de God van allen was. In Hem ontmoeten ze een Heer die de dood overwonnen had en heerschappij over de hele wereld claimde. Als Hij inderdaad is opgestaan, als Hij inderdaad Heer over allen is, dan verandert dat ons perspectief radicaal. Dan zijn alle andere goden afgoden of op zijn hoogst schaduwen van de werkelijkheid die we in Jezus ontmoeten. Dan is dus ook het keizerrijk niet meer de hoogste macht die alle mysterie religies, specialistische goden en regionale religieuze praktijken grootmoedig ruimte geeft. Dan wordt ook dat keizerrijk ontmaskerd als een onderdrukkende macht die de plaats van de ware God inneemt. Dat keizerrijk kan niet meer zijn dan een dienares van God. Anders maakt ze zich groter dan ze is.?Zie hierover verder Benno van den Toren en Kang-San Tan, Open en onbevangen. Geloofsverantwoording in interreligieuze ontmoetingen (Utrecht: KokBoekencentrum, 2023), 257-60.

Als Jezus inderdaad uit de doden is opgestaan en laat zien wie God is, verandert dat ook voor ons vandaag radicaal onze kijk op de werkelijkheid. Dan is het niet meer aan de moderniteit of postmoderniteit om grootmoedig allerlei religieuze perspectieven hun plek te gunnen. Dan worden moderniteit en postmoderniteit net als het keizerrijk zelf ontmaskerd als omvattende culturen die God en mens kleineren en niet naar waarde weten te schatten. Dan is het christelijk geloof niet meer zomaar een van de vele perspectieven op de werkelijkheid, waarmee we zin en betekenis geven. Dan is het zelfs veel meer dan de beste poging om de werkelijkheid te interpreteren. Dan is christelijk geloof niet meer in onze subjectieve beleving en keuzes gegrond, want wij bestaan alleen maar omdat ons bestaan in God rust. Wij kiezen alleen maar omdat Jezus Christus ons gekozen en gegrepen heeft.

Het begint misschien wel met een persoonlijke zoektocht naar zin, met een persoonlijke poging zo goed mogelijk betekenis te geven aan die vreemde werkelijkheid waarin we geworpen zijn. Maar in die zoektocht kan een radicale omkering plaatsvinden. Niet ik geef zin aan de werkelijkheid, maar ik ontdek de betekenis die mijn leven voor Gods aangezicht heeft. Ik zoek en tast, maar wordt opeens verblindt door het licht van mijn Schepper dat in mijn leven schijnt. De geschiedenis van Israël, de opstanding van Jezus, de gave van de Geest en zoveel meer geeft ook vertrouwen dat het hier niet zomaar om onze eigen interpretatie gaat, maar om een nieuw perspectief dat we ontvangen.

Open en onbevangen

Wat betekent dit voor het leven als christenstudent en voor christelijk studentenwerk 65 jaar na de oprichting van IFES-Nederland, in het jaar van onze Heer 2024?

Het betekent in de eerste plaats dat we ons geloof steeds weer opnieuw mogen wortelen in de werkelijkheid van God. Het begint misschien met een menselijke traditie of een subjectieve ervaring of keuze, maar het is in de eerste plaats een ontdekking van een werkelijkheid van God in Jezus van Nazareth die aan onze eigen subjectiviteit vooraf gaat. Er is, zoals Paulus zegt, geen ander fundament dan Jezus Christus (1 Korinthe 3:11), geen andere themelios, zoals één van de theologenstudentenverenigingen heette waar ik als IFES-stafwerker mee optrok.

Het betekent vervolgens ook dat we dat geloof in alle bescheidenheid en vol vertrouwen mogen delen in een post-christelijke wereld. We delen het niet omdat onze zuil zo stevig staat. We delen het ook niet in de eerste plaats omdat het een goede interpretatie van onze complexe werkelijkheid geeft, al sta ik daar wel voor. We delen het ook niet omdat we zo ons leven betekenis geven, hoe waardevol dat ook is in een wereld van zinzoekers. We delen het met vertrouwen omdat we in Christus de grond van onze werkelijkheid en doel van ons bestaan hebben leren kennen. En we doen dat heel bescheiden omdat wij het zelf ook niet ontdekt, maar ontvangen hebben en omdat we steeds meer blijven ontdekken van wat het eigenlijk betekent. Het mag ‘simpler, humbler, bolder’, zoals de visie van de Church of England van 2020 het verwoordt.?Stephen Cottrell, ‘A Vision for the Church of England in the 2020s’ (The Church of England, 2020), https://www.churchofengland.org/sites/default/files/2021-06/a-vision-for-the-church-of-england-in-the-2020s-commentary-by-stephen_cottrell.pdf

Zo mogen we de vreugde van het Evangelie hervinden. Het Evangelii Gaudium naar de titel van de eerste apostolische exhortatie van Paus Franscisus.? Paus Fransciscus, ‘Evangelii Gaudium: Over de verkondiging van het Evangelie in de wereld van vandaag’ (Dicastero per la Comunicazione – Libreria Editrice Vaticana, 2013), https://www.vatican.va/content/francesco/nl/apost_exhortations/documents/papa-francesco_esortazione-ap_20131124_evangelii-gaudium.html. Die vreugde ligt niet in de veiligheid van een christelijke studentenclub, hoe mooi ook, maar in de allereerste plaats in het voorrecht om de liefde van God, de overwinning van Christus en de genezende kracht van de Geest te kennen.

Ik denk dat IFES-Nederland als netwerk van verenigingen in een aantal opzichten een mooi uitgangspunt heeft om deze ontdekking van het Nieuwe Testament bescheiden, moedig en vol vertrouwen vorm te geven. Door de sterke banden met de laatste reformatorische en gereformeerde zuilen deelt ze in de diepe wortels en brede uitwerking die christenen in Nederland geërfd hebben van de verzuiling. Anderzijds staan veel studenten ook midden in de wereld en zijn ze in die zin de verzuiling voorbij. Het is wel spannend of de verenigingen binnen IFES-Nederland beide kunnen zijn: niet ofwel geworteld en teruggetrokken ofwel open en vloeibaar. Kunnen aangesloten verenigingen en studenten beide zijn? Dat is niet vanzelfsprekend. In 2014 deed Gerko Tempelman onderzoek naar kerkverlaters en ontdekte dat heel veel jongvolwassenen hun geloof vaarwel zeggen net na hun studententijd. Net uit de christelijke bubbel in het werkende leven ontdekten ze dat hun geloof toch niet voldoende om het lijf had en voldoende stevig en relevant was.?Jurjen de Bruijne en Gerko Tempelman, ‘Goed Nieuws onderzoek’, 6 oktober 2014.

Het alternatief zit mijns inziens in ‘Roots down, walls down’ zoals de een Engels adagium luidt: geen sterke zuilen, maar diepe wortels en een open blik naar de wereld. Juist in je studententijd mag je leren dat Jezus ook in een pluralistische wereld ‘de Weg, de Waarheid en het Leven is’. Dat kan alleen als Hij meer is dan ‘mijn weg, mijn waarheid en mijn leven’. Hopelijk leert jullie generatie studenten met een open blik in de wereld staan en kunnen jullie juist daarom de kerk leren nieuwe woorden vinden om de relevantie en de betekenis van Christus in te delen, woorden waar Nederlandse christenen in onze ontzuilde wereld zo’n behoefte aan hebben. En jullie generatie kan dat misschien ook wel omdat jullie die verzuiling al even achter jullie gelaten hebben, lang genoeg om niet meer terug te verlangen naar het christelijk geloof als vanzelfsprekend en als machtsblok. We mogen in alle bescheidenheid geloven. Dat kan ook in een minderheidspositie. Dat is een positie die volgelingen van Jezus prima past.

Benno van den Toren

Ontdek meer

Nu jij!

Wat denk jij? Reageer hieronder!